SlideShare uma empresa Scribd logo

Gst. 2019/74 de bevoegdheid tot het lager vaststellen van subsidies wegens het niet of niet geheel plaatsvinden van activiteiten waarvoor de subsidie is verleend

De bevoegdheid tot het lager vaststellen van subsidies wegens het niet of niet geheel plaatsvinden van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend is een zogenoemde discretionaire bevoegdheid. Het stadsdeel heeft daarbij beleidsruimte, wat betekent dat het de keuze heeft om, als aan de toepassingsvereisten is voldaan, deze bevoegdheid al dan niet te gebruiken. Bij het lager vaststellen van een subsidie is het in artikel 3:4 lid 2 Awb bepaalde van toepassing. Dat betekent dat de gevolgen van het lager vaststellen niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen.

1 de 7
Baixar para ler offline
Gst. 2019/74
De bevoegdheid tot het lager vaststellen van subsidies wegens het niet of niet
geheel plaatsvinden van de activiteiten waarvoor de subsidie is verlee...
ABRvS 31-10-2018, ECLI:NL:RVS:2018:3550, m.nt. H. Pennarts & C.J. Dekker
Essentie
De bevoegdheid tot het lager vaststellen van subsidies wegens het niet of niet geheel plaatsvinden van de
activiteiten waarvoor de subsidie is verleend is een zogenoemde discretionaire bevoegdheid. Het stadsdeel heeft
daarbij beleidsruimte, wat betekent dat het de keuze heeft om, als aan de toepassingsvereisten is voldaan, deze
bevoegdheid al dan niet te gebruiken. Bij het lager vaststellen van een subsidie is het in artikel 3:4 lid 2 Awb
bepaalde van toepassing. Dat betekent dat de gevolgen van het lager vaststellen niet onevenredig mogen zijn in
verhouding tot de daarmee te dienen doelen.
Samenvatting
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het stadsdeel in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de subsidie vast te
stellen aan de hand van de werkelijk gemaakte kosten die op voorhand in de aangepaste subsidieaanvraag waren begroot
en die zijn te relateren aan het evenement zoals dat uiteindelijk heeft plaatsgevonden. Zoals het stadsdeel terecht heeft
opgemerkt is daarmee zowel rekening gehouden met het algemene belang van juiste besteding van publieke middelen als
met de (financiële) gevolgen van het besluit voor [appellante]. Dat [appellante] geen ervaring had met subsidieaanvragen en
het organiseren van evenementen en dat [appellante] zich tot het uiterste heeft ingespannen om problemen bij de uitvoering
op te lossen en het evenement te doen plaatsvinden, zijn geen omstandigheden die maken dat de vaststelling van de
subsidie aan de hand van de werkelijk gemaakte kosten, voor zover in de aangepaste subsidieaanvraag begroot, tot een
onevenwichtige uitkomst leidt.
Partij(en)
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd te Amsterdam,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 juni 2017 in zaak nr. 14/2127 in het geding tussen:
[appellante]
en
het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel Zuidoost, voorheen het dagelijks bestuur van stadsdeel
Zuidoost (hierna: het stadsdeel).
Uitspraak
Procesverloop
Bij besluit van 10 juli 2013 heeft het stadsdeel de aan [appellante] verleende eenmalige budgetsubsidie voor het evenement
Bijlmer at the Beach 2012 ambtshalve op nihil vastgesteld en een bedrag van € 37.050,00 van [appellante] teruggevorderd.
Bij besluit van 7 maart 2014 heeft het stadsdeel het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij besluit van 15 november 2016 heeft het stadsdeel het besluit van 7 maart 2014 herzien en de subsidie op € 19.352,90
vastgesteld en een bedrag van € 17.697,10 van [appellante] teruggevorderd.
Bij uitspraak van 27 juni 2017 heeft de rechtbank het door [appellante] ingestelde beroep tegen het besluit van 7 maart 2014
niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 15 november 2016 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is
aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het stadsdeel heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 september 2018, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. G.M.
Haring, advocaat te Amsterdam, en haar [directeur], en het stadsdeel, vertegenwoordigd door mr. N. Madrai, vergezeld door
H.L.T. Muusze, S.P.S. Bollen en J.M. Limburg, zijn verschenen.
Link: http://deeplinking.kluwer.nl/?param=00D1DB07&cpid=WKNL-LTR-Nav2
Alle (auteurs-)rechten op dit document berusten bij Wolters Kluwer Nederland B.V. of haar licentiegevers en worden uitdrukkelijk
voorbehouden. Dit document is gegenereerd op 06-06-2019. Kijk voor meer informatie over de diensten van Wolters Kluwer op www.w
olterskluwer.nl
Pagina 1/7
Overwegingen
Inleiding
1.
[appellante] heeft in het kader van het Evenementenfonds 2012 een subsidie aangevraagd voor het door haar te
organiseren evenement Bijlmer at the Beach 2012. Bij besluit van 8 juni 2012 heeft het stadsdeel met toepassing van de
Algemene Subsidieverordening Amsterdam Zuidoost 2006 aan [appellante] een subsidie van maximaal € 39.000,00
verleend, waarvan € 37.050,00 als voorschot is uitgekeerd. In de verleningsbeschikking is, voor zover van belang, het
volgende opgenomen:
“U realiseert in juli en augustus 2012 op het Hoekenrodeplein Bijlmer at the Beach, zoals omschreven in uw
subsidieaanvraag. Het festival zal minimaal 3.000 bezoekers trekken. U realiseert op het Hoekenrodeplein een city beach
met zandstrand, ligstoelen, badderplaats, eettentjes, live muziek en filmvertoningen. Dit gebeurt in samenwerking met lokale
ondernemers. Het subsidiebedrag dient besteed te worden aan kosten die direct verbonden zijn aan de realisatie van het
festival. De overige kosten voor het festival dient u te dekken uit subsidies die u van verschillende partijen ontvangt.
Wanneer blijkt dat dit niet het geval is en het evenement daarom niet door kan gaan, dient u op grond van artikel 4:57 van
de Awb het bedrag terug te betalen. […]
Uw financiële verantwoording bestaat uit een overzicht met de begrotingsposten zoals genoemd in de aanvraag, met
daarnaast opgenomen de werkelijke kosten en opbrengsten. Eventuele relevante afwijkingen tussen begrote kosten en
opbrengsten respectievelijk gerealiseerde kosten en opbrengsten dienen vervolgens te worden toegelicht.”
2.
Bij het besluit van 10 juli 2013, zoals gehandhaafd bij het besluit van 7 maart 2014, heeft het stadsdeel de subsidie
ambtshalve op nihil vastgesteld en het aan [appellante] betaalde voorschot teruggevorderd, omdat [appellante] niet tijdig de
verantwoordingsstukken heeft ingeleverd aan de hand waarvan het stadsdeel kan vaststellen of de verleende subsidie op
de juiste wijze is besteed.
3.
Bij het besluit van 15 november 2016 heeft het stadsdeel het besluit van 7 maart 2014 herzien en de subsidie op
€ 19.352,90 vastgesteld en een bedrag van € 17.697,10 van [appellante] teruggevorderd. Het stadsdeel heeft hieraan ten
grondslag gelegd dat de hoogte van dit subsidiebedrag overeenkomt met de werkelijke uitgaven die [appellante] heeft
gedaan en die gerelateerd zijn aan het evenement.
Aangevallen uitspraak
4.
De rechtbank heeft ten aanzien van het besluit van 15 november 2016 geoordeeld dat het stadsdeel op grond van artikel
4:46, tweede lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevoegd was om de subsidie lager vast te
stellen dan het bedrag van de subsidieverlening. In dit artikelonderdeel is bepaald dat de subsidie lager kan worden
vastgesteld indien de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden. De rechtbank
heeft overwogen dat het evenement niet de gehele maanden juli en augustus heeft plaatsgevonden, maar van eind juli tot
eind augustus en er niet zeven, maar slechts drie of vier dagen per week activiteiten waren, wat betekent dat in elk geval op
minder dagen activiteiten hebben plaatsgevonden dan waartoe [appellante] verplicht was. Of het uiteindelijk door
[appellante] georganiseerde evenement (ook) op andere onderdelen qua inhoud en/of uitstraling afweek van de
verplichtingen op grond van de verleningsbeschikking, alsmede voor wiens rekening en risico deze afwijkingen dienen te
komen, kan daarom in het midden blijven, aldus de rechtbank.
Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de keuze van het stadsdeel om de subsidie vast te stellen aan de hand van de
werkelijk gemaakte kosten die op voorhand waren begroot en zijn te relateren aan het evenement zoals dat uiteindelijk is
uitgevoerd, niet onevenredig is. Door de subsidie in dit geval vast te stellen op basis van de werkelijk gemaakte kosten, voor
zover deze waren begroot, kan immers niet worden gezegd dat [appellante] tekort wordt gedaan. Het stadsdeel mocht de
subsidie vaststellen op een bedrag van € 19.352,90 en het teveel betaalde voorschot van € 17.697,10 van [appellante]
terugvorderen, aldus de rechtbank.
Hoger beroep
5.
Het hoger beroep is uitsluitend gericht tegen de uitspraak van de rechtbank voor zover daarbij het beroep tegen het besluit
van 15 november 2016 ongegrond is verklaard.
Link: http://deeplinking.kluwer.nl/?param=00D1DB07&cpid=WKNL-LTR-Nav2
Alle (auteurs-)rechten op dit document berusten bij Wolters Kluwer Nederland B.V. of haar licentiegevers en worden uitdrukkelijk
voorbehouden. Dit document is gegenereerd op 06-06-2019. Kijk voor meer informatie over de diensten van Wolters Kluwer op www.w
olterskluwer.nl
Pagina 2/7
6.
[appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het stadsdeel tot vaststelling van de subsidie op
basis van daadwerkelijk gemaakte kosten mocht overgaan. Er moet van de subsidieverlening bij het besluit van 8 juni 2012
worden uitgegaan. In dat besluit wordt er niet over gesproken dat het evenement in de gehele maanden juli en augustus
2012 dient plaats te vinden. Het gaat meer over de wijze waarop het evenement dient te worden ingericht, aldus
[appellante].
6.1.
Het besluit van 8 juni 2012 tot verlening van de subsidie met de daaraan verbonden voorwaarden en verplichtingen levert
een voorwaardelijke aanspraak op subsidie op. Bij het vaststellingsbesluit wordt beoordeeld of daaraan is voldaan. Uit de –
aangepaste – aanvraag van 8 mei 2012 blijkt dat de subsidie is aangevraagd voor een evenement waarbij een stadsstrand
zal worden aangelegd naar voorbeeld van andere succesvolle stadsstranden in Amsterdam. Het strand zal bestaan uit zand
en een zwembassin voor peuters. Het was de bedoeling dat het stadsstrand gedurende drie maanden dagelijks zou zijn
geopend en dat er activiteiten zouden plaatsvinden. Bij het verleningsbesluit is de subsidie voor het evenement, zoals
omschreven in de aanvraag, verleend, zij het dat de periode – naar het stadsdeel ter zitting heeft toegelicht vanwege het
tijdsverloop – is bepaald op de maanden juli en augustus 2012. Het evenement heeft, naar niet in geschil is, echter niet de
gehele maanden juli en augustus 2012 en evenmin dagelijks plaatsgevonden. Daarnaast is het zandstrand met het
zwembassin niet in omvang conform de subsidieaanvraag en -verlening gerealiseerd. Dit betekent dat de activiteiten
waarvoor de subsidie is verleend niet geheel hebben plaatsgevonden. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat
het stadsdeel op grond van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awb bevoegd was over te gaan tot een
lagere vaststelling van de subsidie.
6.2.
Het betoog faalt.
7.
[appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het stadsdeel ten onrechte geen rekening heeft gehouden
met het evenredigheidsbeginsel. Zij doelt daarbij op artikel 3:4, tweede lid, van de Awb, waarin is bepaald dat de voor een
of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met dat
besluit te dienen doelen. Voor zover wordt geoordeeld dat [appellante] niet volledig heeft voldaan aan de
verleningsbeschikking dient een afweging te worden gemaakt tussen het belang van handhaving van de verplichting en de
gevolgen van de verlaging voor de subsidieontvanger. [appellante] heeft zich uiterst ingespannen om een resultaat te
bereiken waarmee tegemoet kon worden gekomen aan de verleningsbeschikking. Dat niet alle geplande activiteiten
waarvoor de subsidie is verleend hebben kunnen plaatsvinden komt door de late verlening van de subsidie en de late afgifte
van de benodigde vergunning voor het evenement en de communicatie hierover, waardoor ook niet tijdig kon worden
geïnvesteerd en bedrijven niet tijdig voor sponsoring konden worden benaderd. Bovendien wist het stadsdeel op voorhand
dat [appellante] geen ervaring had met het organiseren van evenementen en het indienen van subsidieaanvragen. Het
besluit van 15 november 2016 brengt voor [appellante] ernstige financiële gevolgen met zich.
[appellante] voert verder aan dat zij het gehele subsidiebedrag heeft besteed aan kosten die direct verbonden zijn aan de
realisatie van het festival. Dit volgt uit de financiële verantwoording die is overgelegd. Daarbij heeft [appellante] extra kosten
moeten maken die niet zijn te vatten in over te leggen facturen, zoals kosten voor water- en stroomvoorzieningen en
personeelskosten. De rechtbank heeft ten onrechte de posten waarover partijen van mening verschillen afzonderlijk van
elkaar behandeld. De rechtbank had naar de financiële verantwoording in haar geheel moeten kijken, aldus [appellante].
7.1.
De bevoegdheid tot het lager vaststellen van subsidies wegens het niet of niet geheel plaatsvinden van de activiteiten
waarvoor de subsidie is verleend is een zogenoemde discretionaire bevoegdheid. Het stadsdeel heeft daarbij beleidsruimte,
wat betekent dat het de keuze heeft om, als aan de toepassingsvereisten is voldaan, deze bevoegdheid al dan niet te
gebruiken. Bij het lager vaststellen van een subsidie is het in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb bepaalde van toepassing.
Dat betekent dat de gevolgen van het lager vaststellen niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de daarmee te dienen
doelen.
7.2.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het stadsdeel in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de subsidie vast te
stellen aan de hand van de werkelijk gemaakte kosten die op voorhand in de aangepaste subsidieaanvraag waren begroot
en die zijn te relateren aan het evenement zoals dat uiteindelijk heeft plaatsgevonden. Zoals het stadsdeel terecht heeft
opgemerkt is daarmee zowel rekening gehouden met het algemene belang van juiste besteding van publieke middelen als
met de (financiële) gevolgen van het besluit voor [appellante]. Dat [appellante] geen ervaring had met subsidieaanvragen en
Link: http://deeplinking.kluwer.nl/?param=00D1DB07&cpid=WKNL-LTR-Nav2
Alle (auteurs-)rechten op dit document berusten bij Wolters Kluwer Nederland B.V. of haar licentiegevers en worden uitdrukkelijk
voorbehouden. Dit document is gegenereerd op 06-06-2019. Kijk voor meer informatie over de diensten van Wolters Kluwer op www.w
olterskluwer.nl
Pagina 3/7
het organiseren van evenementen en dat [appellante] zich tot het uiterste heeft ingespannen om problemen bij de uitvoering
op te lossen en het evenement te doen plaatsvinden, zijn geen omstandigheden die maken dat de vaststelling van de
subsidie aan de hand van de werkelijk gemaakte kosten, voor zover in de aangepaste subsidieaanvraag begroot, tot een
onevenwichtige uitkomst leidt.
De rechtbank heeft om de omvang van de werkelijk gemaakte kosten te bepalen terecht de kostenposten die in geschil
waren afzonderlijk beoordeeld en daarbij de door [appellante] overgelegde facturen betrokken. Voor zover [appellante]
betoogt dat de werkelijk gemaakte kosten op een te laag bedrag zijn vastgesteld, omdat voor de realisatie van het
evenement het volledige bedrag, waarvoor subsidie is verleend, is aangewend, heeft [appellante] dit betoog niet nader met
bewijsstukken onderbouwd. Reeds hierom kan dit betoog niet slagen. Evenmin slaagt het betoog dat ook de door
[appellante] extra opgevoerde kosten, bestaande uit managementkosten, dienen te worden vergoed. De
managementkosten die [appellante] opvoert zijn niet in de begroting bij de aangepaste subsidieaanvraag opgenomen,
waardoor het stadsdeel voor deze kosten geen subsidie heeft verleend. Bovendien heeft [appellante] deze kosten niet met
facturen of andere stukken gestaafd en heeft [appellante] in haar aangepaste aanvraag juist vermeld dat zij een eigen
bijdrage zal leveren ter hoogte van € 10.000,00 en het evenement zal sponsoren waar het betreft de kosten van elektra en
water.
Slotsom is dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het stadsdeel de subsidie op een bedrag van € 19.352,90 mocht
vaststellen en het teveel betaalde voorschot van € 17.697,10 van [appellante] mocht terugvorderen.
7.3.
Het betoog faalt.
Conclusie
8.
Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen, dat wil
zeggen voor zover deze betrekking heeft op het besluit van 15 november 2016.
9.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
Noot
Auteur: H. Pennarts & C.J. Dekker[1]
Naschrift
1.
De hier opgenomen uitspraak draait om de gewijzigde vaststelling van de aan M-Jo B.V. (M-Jo) verleende subsidie voor het
evenement Bijlmer at the Beach 2012 (het evenement).
2.
M-Jo vraagt op 5 april 2012 een subsidie aan bij het stadsdeel Zuidoost (het stadsdeel) voor de organisatie van het
evenement. Het stadsdeel verleent vervolgens op 8 juni 2012 een subsidie van maximaal EUR 39.000 en keert een
voorschot uit van EUR 37.050 (de verleningsbeschikking). In de verleningsbeschikking is opgenomen dat voor 1 april 2013
de aanvraag voor het vaststellen van de subsidie moet worden ingediend. Op 10 juli 2013 stelt het stadsdeel de subsidie
vast op nihil en vordert het verleende voorschot terug, omdat M-Jo in gebreke is gebleven de vereiste informatie voor de
verantwoording van de subsidie tijdig aan te leveren (het primaire besluit). M-Jo maakt bezwaar tegen het primaire besluit,
waarop het stadsdeel het bezwaar ongegrond verklaard in de beslissing op bezwaar. Vervolgens wendt M-Jo zich tot de
rechtbank. Tussen het instellen van het beroep en de behandeling daarvan heeft M-Jo kennelijk toch nog gegevens
overgelegd aan het stadsdeel in het kader van de verantwoording van de subsidie, want op 15 november 2016 heeft het
stadsdeel de eerdere beslissing op bezwaar herzien (de vaststellingsbeschikking). De subsidie wordt daarbij vastgesteld op
EUR 19.352,90 en zodoende wordt EUR 17.697,10 teruggevorderd van M-Jo.
Link: http://deeplinking.kluwer.nl/?param=00D1DB07&cpid=WKNL-LTR-Nav2
Alle (auteurs-)rechten op dit document berusten bij Wolters Kluwer Nederland B.V. of haar licentiegevers en worden uitdrukkelijk
voorbehouden. Dit document is gegenereerd op 06-06-2019. Kijk voor meer informatie over de diensten van Wolters Kluwer op www.w
olterskluwer.nl
Pagina 4/7
3.
De rechtbank overweegt dat deze nieuwe beslissing op bezwaar en de daaraan ten grondslag gelegde motivering in het
kader van de verschillende kostenposten – muziek, marketing, bewaking/beveiliging en managementkosten (zie de
uitspraak van de rechtbank: ECLI:NL:RBAMS:2017:4496) – niet onredelijk is en laat het besluit in stand. Daarop gaat M-Jo
in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) en zij stelt met een beroep op
artikel 3:4 Awb dat het stadsdeel niet in redelijkheid tot de vaststellingsbeschikking heeft kunnen komen.
4.
Titel 4.2 Awb en de daarin opgenomen artikelen omtrent subsidies bepalen dat in een verleningsbeschikking wordt
vastgelegd wat de activiteiten zijn waar subsidie voor wordt verleend. Dat betekent dat opgenomen dienen te worden het
bedrag (of de wijze waarop dit wordt berekend) aan subsidie en welke verplichtingen daarbij in acht moeten worden
genomen (artikel 4:30 Awb en artikel 4:31 Awb). De verleningsbeschikking geeft een voorwaardelijk recht op betaling. Na
afloop van de gesubsidieerde activiteiten wordt gekeken of de activiteiten conform de verleningsbeschikking hebben
plaatsgevonden en of de ontvanger zich daarbij aan de verplichtingen heeft gehouden. Dan wordt op aanvraag van de
subsidieverkrijger een beschikking tot subsidievaststelling genomen (artikel 4:44 Awb). Pas met de beschikking tot
subsidievaststelling ontstaat een definitieve aanspraak op betaling en wordt in principe door het bestuur betaald.
5.
In het hier aan de orde zijnde geval heeft M-Jo een aanvraag gedaan, waarna de subsidie is verleend en – op grond van
artikel 4:95 Awb – een voorschot is betaald. Of M-Jo vervolgens een aanvraag voor de vaststelling van de subsidie heeft
gedaan volgt niet uit de uitspraak van de Afdeling (en evenmin uit die van de rechtbank). Duidelijk is wel dat het stadsdeel
de subsidie op 10 juli 2013, nadien herzien met de vaststellingsbeschikking, lager heeft vastgesteld en het teveel betaalde
heeft teruggevorderd ex artikel 4:57 Awb. Hiermee wordt duidelijk dat voor de vaststelling van de subsidie van belang is wat
nu precies de inhoud is van de verleningsbeschikking.
6
Uit de verleningsbeschikking vloeit voort dat de maximale subsidie aan M-Jo EUR 39.000 bedraagt. Dat betekent dat in het
primaire besluit, noch in de vaststellingsbeschikking meer subsidie kan worden toegekend. Wanneer M-Jo dat zou willen,
dan dient zij een aanvullende c.q. nieuwe subsidieaanvraag in te dienen. De besluitvorming daarover staat geheel los van
de bestreden vaststelling. Dat is overigens ook logisch, nu de vaststellingsbeschikking niet het moment is om de
verleningsbeschikking te wijzigen. Die beschikking heeft immers formele rechtskracht verkregen. Dat is in de onderhavige
casus ook aan de orde, nu M-Jo geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen de verleningsbeschikking. Verder, en dat is
van belang, volgt uit de verleningsbeschikking dat bij de financiële verantwoording een overzicht van de begrotingsposten
(zoals opgenomen in de verleningsbeschikking dus) met daarnaast de werkelijke kosten en opbrengsten moet worden
gegeven. Tevens moet inzicht worden gegeven in begrote kosten en opbrengsten en gerealiseerde kosten en opbrengsten.
Ten aanzien van de financiële verantwoording is in de verleningsbeschikking expliciet opgenomen dat die:
“bestaat uit een overzicht met de begrotingsposten zoals genoemd in de aanvraag, met daarnaast opgenomen de
werkelijke kosten en opbrengsten. Eventuele relevante afwijkingen tussen begrote kosten en opbrengsten respectievelijk
gerealiseerde kosten en opbrengsten dienen vervolgens te worden toegelicht.”
7.
In het primaire besluit en de vaststellingsbeschikking wordt daar (impliciet) naar verwezen, door te stellen dat:
“de hoogte van dit subsidiebedrag overeenkomt met de werkelijke uitgaven die (appellante) heeft gedaan en die
gerelateerd zijn aan het evenement.”
8.
M-Jo is van mening dat ook de post managementkosten onder de reikwijdte van de verleningsbeschikking valt. De Afdeling
overweegt echter dat daarvan geen sprake kan zijn, nu deze kosten niet in de subsidieaanvraag zijn opgenomen. Feitelijk is
deze hogerberoepsgrond van M-Jo gericht tegen de verleningsbeschikking. Op grond van vaste jurisprudentie kunnen
gronden gericht tegen de verleningsbeschikking, niet meer ingebracht worden tegen de vaststellingsbeschikking (CBb 18
april 2013, ECLI:NL:CBB:2013:CA1512; CBb 18 augustus 2015, ECLI:NL:CBB:2015:281; CBb 23 februari 2018,
ECLI:NL:CBB:2018:54; ABRvS 21 februari 2007, ECLI:NL:RVS:2007:AZ9032; ABRvS 4 maart 2009,
ECLI:NL:RVS:2009:BH4667, AB 2009/236, m.nt. T. Barkhuysen en W. den Ouden; ABkort 2009/118, JB 2009/82, Module
Ruimtelijke ordening 2009/2015, NJB 2009/573; ABRvS 20 januari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BK9890, ABkort 2010/41;
ABRvS 17 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR5195, AB 2011/316, m.nt. W. den Ouden, JB 2011/210 en ABRvS 21 juni
2017, ECLI:NL:RVS:2017:1661, AB 2017/278, m.nt. W. den Ouden). Dit in verband met het feit dat, zoals reeds eerder
Link: http://deeplinking.kluwer.nl/?param=00D1DB07&cpid=WKNL-LTR-Nav2
Alle (auteurs-)rechten op dit document berusten bij Wolters Kluwer Nederland B.V. of haar licentiegevers en worden uitdrukkelijk
voorbehouden. Dit document is gegenereerd op 06-06-2019. Kijk voor meer informatie over de diensten van Wolters Kluwer op www.w
olterskluwer.nl
Pagina 5/7
genoemd, de verleningsbeschikking inmiddels formele rechtskracht heeft. Dit overigens nog los van het feit dat M-Jo deze
kosten niet heeft onderbouwd met facturen of andere stukken.
9.
Een ander punt dat M-Jo aanvoert, is dat de werkelijk gemaakte kosten op een te laag bedrag zijn vastgesteld, omdat het
gehele bedrag uit de verleningsbeschikking is aangewend voor het evenement. Alvorens in te gaan op het oordeel van de
Afdeling, merken wij op dat het in de praktijk vaker voorkomt dat uitgegaan wordt van de werkelijk gemaakte kosten (in de
subsidieperiode), al dan niet onder de algemene noemer “kosten”. De meeste subsidieaanvragers en -ontvangers zijn
daarover ontevreden en pleiten regelmatig voor een andere opvatting. In die opvatting worden ook verplichtingen die tijdens
de subsidieperiode nog niet tot concrete betalingen hebben geleid, maar dat in de toekomst wel zullen doen onder het
begrip “kosten” geschaard. Zij verwijzen daarbij in procedures omtrent de vaststelling van de subsidie vaak naar de in de
jaarrekening opgenomen cijfers. Nagenoeg altijd wordt daar vanuit de subsidieverlener tegen ingebracht dat het begrip
kosten bij het bepalen van de hoogte van de vaststelling wordt vastgesteld aan de hand van de werkelijke kosten, die de
aanvrager heeft gemaakt bij het uitvoeren van de gesubsidieerde activiteiten (ABRvS 7 november 2007,
ECLI:NL:RVS:2007:BB7302; ABRvS 10 maart 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL7011, m.nt. F. Onrust, AB 2011/92; ABRvS 25
augustus 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN4946, AB 2011/93, m.nt. F. Onrust; ABRvS 20 oktober 2010,
ECLI:NL:RVS:2010:BO1136; ABRvS 17 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR5195, AB 2011/316, m.nt. W. den Ouden,
JB 2011/210; ABRvS 28 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1935 en ABRvS 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4195). Ook
in het onderhavige geval gaat de hogerberoepsgrond van M-Jo niet op, al is dat in dit geval terug te voeren op het feit dat zij
(wederom) haar betoog niet onderbouwd heeft met bewijsstukken.
10.
Vervolgens gaat de Afdeling in op artikel 4:46 lid 2 aanhef en onder a, Awb. Dat artikel geeft de bevoegdheid de subsidie
lager vast te stellen dan opgenomen in de verleningsbeschikking, wanneer de gesubsidieerde activiteiten “ niet of niet
geheel hebben plaatsgevonden”. Het stadsdeel heeft artikel 4:46 lid 2 aanhef en onder a, Awb ten grondslag gelegd aan de
vaststellingsbeschikking.
11.
Om te beoordelen of sprake is van gesubsidieerde activiteiten die “ niet of niet geheel hebben plaatsgevonden” wordt
wederom gekeken naar het gestelde in de verleningsbeschikking. Daaruit volgt volgens de uitspraak van de rechtbank:
“U realiseert in juli en augustus 2012 op het Hoekenrodeplein Bijlmer at the Beach, zoals omschreven in uw
subsidieaanvraag. Het festival zal minimaal 3000 bezoekers trekken.”
12.
Verder is in de verleningsbeschikking specifiek ingegaan op de te organiseren activiteiten. Partijen zijn het erover eens dat
uiteindelijk op minder dagen activiteiten hebben plaatsgevonden dan op grond van de verleningsbeschikking vereist was.
Zowel het stadsdeel als rechtbank hebben volgens de Afdeling dan ook geconcludeerd dat de activiteiten waarvoor de
subsidie is verleend niet geheel hebben plaatsgevonden. Dat leidt er vervolgens toe dat de Afdeling oordeelt dat de
rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het stadsdeel bevoegd was met toepassing van artikel 4:46 lid 2 aanhef en onder a,
Awb over te gaan tot een lagere vaststelling van de subsidie. Vervolgens overweegt de Afdeling dat het toepassen van
artikel 4:46 lid 2 aanhef en onder a, Awb een discretionaire bevoegdheid betreft (W. den Ouden, N.J. Jacobs, N. Verheij,
Subsidierecht, Deventer: Kluwer 2011, p. 74; CBb 23 juli 2014, ECLI:NL:CBB:2014:296; CRvB 30 januari 2008,
ECLI:NL:CRVB:2008:BC4315, AB 2008/222, m.nt. W. den Ouden, RSV 2008/116, USZ 2008/99; CRvB 22 september
2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN9775, ABkort 2010/360, RSV 2011/12, RZA 2010/130; CRvB 1 mei 2013,
ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9635, AB 2013/255, m.nt. W. den Ouden en CRvB 26 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2653, USZ
2017/340, m.nt. G.J.W. Pulles). Daarbij overweegt de Afdeling expliciet dat bij toepassing van die bevoegdheid het
evenredigheidsbeginsel als bedoeld in artikel 3:4 lid 2 Awb in acht genomen dient te worden (ABRvS 8 mei 2002,
ECLI:NL:RVS:2002:AE2396, AB 2003/137, m.nt. N. Verheij, JB 2002/168 en ABRvS 18 oktober 2017,
ECLI:NL:RVS:2017:2768, AB 2017/422, m.nt. W. den Ouden, JG 2018/2, m.nt. T. Barkhuysen en A. Span). Dat betekent
dat een afweging gemaakt moet worden, waarbij allereerst bezien dient te worden of überhaupt een lagere vaststelling dient
plaats te vinden. Wanneer dat het geval is, moet vervolgens worden bepaald hoe laag de vaststelling uiteindelijk dient te
zijn. De gevolgen van de lagere vaststelling mogen dan niet onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen
doelen. Bij deze belangenafweging speelt een rol dat het algemeen belang eist dat een juiste besteding van publieke
middelen plaatsvindt. Dat belang dient te worden afgewogen met het belang van de ontvanger (lees: in hoeverre deze
geraakt wordt door het bedrag van de vaststelling). Daarbij kunnen allerlei bijzondere omstandigheden een rol spelen,
waarbij bijvoorbeeld gedacht kan worden aan de formele rechtskracht (ABRvS 18 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2768,
AB 2017/422, m.nt. W. den Ouden, JG 2018/2, m.nt. T. Barkhuysen en A. Span).
Link: http://deeplinking.kluwer.nl/?param=00D1DB07&cpid=WKNL-LTR-Nav2
Alle (auteurs-)rechten op dit document berusten bij Wolters Kluwer Nederland B.V. of haar licentiegevers en worden uitdrukkelijk
voorbehouden. Dit document is gegenereerd op 06-06-2019. Kijk voor meer informatie over de diensten van Wolters Kluwer op www.w
olterskluwer.nl
Pagina 6/7

Recomendados

Gst. 2024/15 De op de verbeelding aangegeven bestemming en de daarbij behoren...
Gst. 2024/15 De op de verbeelding aangegeven bestemming en de daarbij behoren...Gst. 2024/15 De op de verbeelding aangegeven bestemming en de daarbij behoren...
Gst. 2024/15 De op de verbeelding aangegeven bestemming en de daarbij behoren...Casper Dekker
 
Gst. 2022/91 Niet opnemen uitvoeringstermijn subsidie komt voor rekening en r...
Gst. 2022/91 Niet opnemen uitvoeringstermijn subsidie komt voor rekening en r...Gst. 2022/91 Niet opnemen uitvoeringstermijn subsidie komt voor rekening en r...
Gst. 2022/91 Niet opnemen uitvoeringstermijn subsidie komt voor rekening en r...Casper Dekker
 
Gst. 2020/69 rechtmatige beindiging langdurige subsidierelatie, (aanvullende...
Gst. 2020/69  rechtmatige beindiging langdurige subsidierelatie, (aanvullende...Gst. 2020/69  rechtmatige beindiging langdurige subsidierelatie, (aanvullende...
Gst. 2020/69 rechtmatige beindiging langdurige subsidierelatie, (aanvullende...Casper Dekker
 
Gst. 2020/59 intrekking eerdere subsidieverlening wegens foutieve uitgangspun...
Gst. 2020/59 intrekking eerdere subsidieverlening wegens foutieve uitgangspun...Gst. 2020/59 intrekking eerdere subsidieverlening wegens foutieve uitgangspun...
Gst. 2020/59 intrekking eerdere subsidieverlening wegens foutieve uitgangspun...Casper Dekker
 
Uitbreiden van een Wob-verzoek in bezwaar (Gemeentestem 2018/6)
Uitbreiden van een Wob-verzoek in bezwaar (Gemeentestem 2018/6) Uitbreiden van een Wob-verzoek in bezwaar (Gemeentestem 2018/6)
Uitbreiden van een Wob-verzoek in bezwaar (Gemeentestem 2018/6) Casper Dekker
 
Middelbare school diploma
Middelbare school diplomaMiddelbare school diploma
Middelbare school diplomaCasper Dekker
 

Mais conteúdo relacionado

Destaque

AI Trends in Creative Operations 2024 by Artwork Flow.pdf
AI Trends in Creative Operations 2024 by Artwork Flow.pdfAI Trends in Creative Operations 2024 by Artwork Flow.pdf
AI Trends in Creative Operations 2024 by Artwork Flow.pdfmarketingartwork
 
PEPSICO Presentation to CAGNY Conference Feb 2024
PEPSICO Presentation to CAGNY Conference Feb 2024PEPSICO Presentation to CAGNY Conference Feb 2024
PEPSICO Presentation to CAGNY Conference Feb 2024Neil Kimberley
 
Content Methodology: A Best Practices Report (Webinar)
Content Methodology: A Best Practices Report (Webinar)Content Methodology: A Best Practices Report (Webinar)
Content Methodology: A Best Practices Report (Webinar)contently
 
How to Prepare For a Successful Job Search for 2024
How to Prepare For a Successful Job Search for 2024How to Prepare For a Successful Job Search for 2024
How to Prepare For a Successful Job Search for 2024Albert Qian
 
Social Media Marketing Trends 2024 // The Global Indie Insights
Social Media Marketing Trends 2024 // The Global Indie InsightsSocial Media Marketing Trends 2024 // The Global Indie Insights
Social Media Marketing Trends 2024 // The Global Indie InsightsKurio // The Social Media Age(ncy)
 
Trends In Paid Search: Navigating The Digital Landscape In 2024
Trends In Paid Search: Navigating The Digital Landscape In 2024Trends In Paid Search: Navigating The Digital Landscape In 2024
Trends In Paid Search: Navigating The Digital Landscape In 2024Search Engine Journal
 
5 Public speaking tips from TED - Visualized summary
5 Public speaking tips from TED - Visualized summary5 Public speaking tips from TED - Visualized summary
5 Public speaking tips from TED - Visualized summarySpeakerHub
 
ChatGPT and the Future of Work - Clark Boyd
ChatGPT and the Future of Work - Clark Boyd ChatGPT and the Future of Work - Clark Boyd
ChatGPT and the Future of Work - Clark Boyd Clark Boyd
 
Getting into the tech field. what next
Getting into the tech field. what next Getting into the tech field. what next
Getting into the tech field. what next Tessa Mero
 
Google's Just Not That Into You: Understanding Core Updates & Search Intent
Google's Just Not That Into You: Understanding Core Updates & Search IntentGoogle's Just Not That Into You: Understanding Core Updates & Search Intent
Google's Just Not That Into You: Understanding Core Updates & Search IntentLily Ray
 
Time Management & Productivity - Best Practices
Time Management & Productivity -  Best PracticesTime Management & Productivity -  Best Practices
Time Management & Productivity - Best PracticesVit Horky
 
The six step guide to practical project management
The six step guide to practical project managementThe six step guide to practical project management
The six step guide to practical project managementMindGenius
 
Beginners Guide to TikTok for Search - Rachel Pearson - We are Tilt __ Bright...
Beginners Guide to TikTok for Search - Rachel Pearson - We are Tilt __ Bright...Beginners Guide to TikTok for Search - Rachel Pearson - We are Tilt __ Bright...
Beginners Guide to TikTok for Search - Rachel Pearson - We are Tilt __ Bright...RachelPearson36
 
Unlocking the Power of ChatGPT and AI in Testing - A Real-World Look, present...
Unlocking the Power of ChatGPT and AI in Testing - A Real-World Look, present...Unlocking the Power of ChatGPT and AI in Testing - A Real-World Look, present...
Unlocking the Power of ChatGPT and AI in Testing - A Real-World Look, present...Applitools
 
12 Ways to Increase Your Influence at Work
12 Ways to Increase Your Influence at Work12 Ways to Increase Your Influence at Work
12 Ways to Increase Your Influence at WorkGetSmarter
 

Destaque (20)

AI Trends in Creative Operations 2024 by Artwork Flow.pdf
AI Trends in Creative Operations 2024 by Artwork Flow.pdfAI Trends in Creative Operations 2024 by Artwork Flow.pdf
AI Trends in Creative Operations 2024 by Artwork Flow.pdf
 
Skeleton Culture Code
Skeleton Culture CodeSkeleton Culture Code
Skeleton Culture Code
 
PEPSICO Presentation to CAGNY Conference Feb 2024
PEPSICO Presentation to CAGNY Conference Feb 2024PEPSICO Presentation to CAGNY Conference Feb 2024
PEPSICO Presentation to CAGNY Conference Feb 2024
 
Content Methodology: A Best Practices Report (Webinar)
Content Methodology: A Best Practices Report (Webinar)Content Methodology: A Best Practices Report (Webinar)
Content Methodology: A Best Practices Report (Webinar)
 
How to Prepare For a Successful Job Search for 2024
How to Prepare For a Successful Job Search for 2024How to Prepare For a Successful Job Search for 2024
How to Prepare For a Successful Job Search for 2024
 
Social Media Marketing Trends 2024 // The Global Indie Insights
Social Media Marketing Trends 2024 // The Global Indie InsightsSocial Media Marketing Trends 2024 // The Global Indie Insights
Social Media Marketing Trends 2024 // The Global Indie Insights
 
Trends In Paid Search: Navigating The Digital Landscape In 2024
Trends In Paid Search: Navigating The Digital Landscape In 2024Trends In Paid Search: Navigating The Digital Landscape In 2024
Trends In Paid Search: Navigating The Digital Landscape In 2024
 
5 Public speaking tips from TED - Visualized summary
5 Public speaking tips from TED - Visualized summary5 Public speaking tips from TED - Visualized summary
5 Public speaking tips from TED - Visualized summary
 
ChatGPT and the Future of Work - Clark Boyd
ChatGPT and the Future of Work - Clark Boyd ChatGPT and the Future of Work - Clark Boyd
ChatGPT and the Future of Work - Clark Boyd
 
Getting into the tech field. what next
Getting into the tech field. what next Getting into the tech field. what next
Getting into the tech field. what next
 
Google's Just Not That Into You: Understanding Core Updates & Search Intent
Google's Just Not That Into You: Understanding Core Updates & Search IntentGoogle's Just Not That Into You: Understanding Core Updates & Search Intent
Google's Just Not That Into You: Understanding Core Updates & Search Intent
 
How to have difficult conversations
How to have difficult conversations How to have difficult conversations
How to have difficult conversations
 
Introduction to Data Science
Introduction to Data ScienceIntroduction to Data Science
Introduction to Data Science
 
Time Management & Productivity - Best Practices
Time Management & Productivity -  Best PracticesTime Management & Productivity -  Best Practices
Time Management & Productivity - Best Practices
 
The six step guide to practical project management
The six step guide to practical project managementThe six step guide to practical project management
The six step guide to practical project management
 
Beginners Guide to TikTok for Search - Rachel Pearson - We are Tilt __ Bright...
Beginners Guide to TikTok for Search - Rachel Pearson - We are Tilt __ Bright...Beginners Guide to TikTok for Search - Rachel Pearson - We are Tilt __ Bright...
Beginners Guide to TikTok for Search - Rachel Pearson - We are Tilt __ Bright...
 
Unlocking the Power of ChatGPT and AI in Testing - A Real-World Look, present...
Unlocking the Power of ChatGPT and AI in Testing - A Real-World Look, present...Unlocking the Power of ChatGPT and AI in Testing - A Real-World Look, present...
Unlocking the Power of ChatGPT and AI in Testing - A Real-World Look, present...
 
12 Ways to Increase Your Influence at Work
12 Ways to Increase Your Influence at Work12 Ways to Increase Your Influence at Work
12 Ways to Increase Your Influence at Work
 
ChatGPT webinar slides
ChatGPT webinar slidesChatGPT webinar slides
ChatGPT webinar slides
 
More than Just Lines on a Map: Best Practices for U.S Bike Routes
More than Just Lines on a Map: Best Practices for U.S Bike RoutesMore than Just Lines on a Map: Best Practices for U.S Bike Routes
More than Just Lines on a Map: Best Practices for U.S Bike Routes
 

Gst. 2019/74 de bevoegdheid tot het lager vaststellen van subsidies wegens het niet of niet geheel plaatsvinden van activiteiten waarvoor de subsidie is verleend

  • 1. Gst. 2019/74 De bevoegdheid tot het lager vaststellen van subsidies wegens het niet of niet geheel plaatsvinden van de activiteiten waarvoor de subsidie is verlee... ABRvS 31-10-2018, ECLI:NL:RVS:2018:3550, m.nt. H. Pennarts & C.J. Dekker Essentie De bevoegdheid tot het lager vaststellen van subsidies wegens het niet of niet geheel plaatsvinden van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend is een zogenoemde discretionaire bevoegdheid. Het stadsdeel heeft daarbij beleidsruimte, wat betekent dat het de keuze heeft om, als aan de toepassingsvereisten is voldaan, deze bevoegdheid al dan niet te gebruiken. Bij het lager vaststellen van een subsidie is het in artikel 3:4 lid 2 Awb bepaalde van toepassing. Dat betekent dat de gevolgen van het lager vaststellen niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen. Samenvatting De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het stadsdeel in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de subsidie vast te stellen aan de hand van de werkelijk gemaakte kosten die op voorhand in de aangepaste subsidieaanvraag waren begroot en die zijn te relateren aan het evenement zoals dat uiteindelijk heeft plaatsgevonden. Zoals het stadsdeel terecht heeft opgemerkt is daarmee zowel rekening gehouden met het algemene belang van juiste besteding van publieke middelen als met de (financiële) gevolgen van het besluit voor [appellante]. Dat [appellante] geen ervaring had met subsidieaanvragen en het organiseren van evenementen en dat [appellante] zich tot het uiterste heeft ingespannen om problemen bij de uitvoering op te lossen en het evenement te doen plaatsvinden, zijn geen omstandigheden die maken dat de vaststelling van de subsidie aan de hand van de werkelijk gemaakte kosten, voor zover in de aangepaste subsidieaanvraag begroot, tot een onevenwichtige uitkomst leidt. Partij(en) Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], gevestigd te Amsterdam, tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 juni 2017 in zaak nr. 14/2127 in het geding tussen: [appellante] en het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel Zuidoost, voorheen het dagelijks bestuur van stadsdeel Zuidoost (hierna: het stadsdeel). Uitspraak Procesverloop Bij besluit van 10 juli 2013 heeft het stadsdeel de aan [appellante] verleende eenmalige budgetsubsidie voor het evenement Bijlmer at the Beach 2012 ambtshalve op nihil vastgesteld en een bedrag van € 37.050,00 van [appellante] teruggevorderd. Bij besluit van 7 maart 2014 heeft het stadsdeel het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij besluit van 15 november 2016 heeft het stadsdeel het besluit van 7 maart 2014 herzien en de subsidie op € 19.352,90 vastgesteld en een bedrag van € 17.697,10 van [appellante] teruggevorderd. Bij uitspraak van 27 juni 2017 heeft de rechtbank het door [appellante] ingestelde beroep tegen het besluit van 7 maart 2014 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 15 november 2016 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld. Het stadsdeel heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 september 2018, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. G.M. Haring, advocaat te Amsterdam, en haar [directeur], en het stadsdeel, vertegenwoordigd door mr. N. Madrai, vergezeld door H.L.T. Muusze, S.P.S. Bollen en J.M. Limburg, zijn verschenen. Link: http://deeplinking.kluwer.nl/?param=00D1DB07&cpid=WKNL-LTR-Nav2 Alle (auteurs-)rechten op dit document berusten bij Wolters Kluwer Nederland B.V. of haar licentiegevers en worden uitdrukkelijk voorbehouden. Dit document is gegenereerd op 06-06-2019. Kijk voor meer informatie over de diensten van Wolters Kluwer op www.w olterskluwer.nl Pagina 1/7
  • 2. Overwegingen Inleiding 1. [appellante] heeft in het kader van het Evenementenfonds 2012 een subsidie aangevraagd voor het door haar te organiseren evenement Bijlmer at the Beach 2012. Bij besluit van 8 juni 2012 heeft het stadsdeel met toepassing van de Algemene Subsidieverordening Amsterdam Zuidoost 2006 aan [appellante] een subsidie van maximaal € 39.000,00 verleend, waarvan € 37.050,00 als voorschot is uitgekeerd. In de verleningsbeschikking is, voor zover van belang, het volgende opgenomen: “U realiseert in juli en augustus 2012 op het Hoekenrodeplein Bijlmer at the Beach, zoals omschreven in uw subsidieaanvraag. Het festival zal minimaal 3.000 bezoekers trekken. U realiseert op het Hoekenrodeplein een city beach met zandstrand, ligstoelen, badderplaats, eettentjes, live muziek en filmvertoningen. Dit gebeurt in samenwerking met lokale ondernemers. Het subsidiebedrag dient besteed te worden aan kosten die direct verbonden zijn aan de realisatie van het festival. De overige kosten voor het festival dient u te dekken uit subsidies die u van verschillende partijen ontvangt. Wanneer blijkt dat dit niet het geval is en het evenement daarom niet door kan gaan, dient u op grond van artikel 4:57 van de Awb het bedrag terug te betalen. […] Uw financiële verantwoording bestaat uit een overzicht met de begrotingsposten zoals genoemd in de aanvraag, met daarnaast opgenomen de werkelijke kosten en opbrengsten. Eventuele relevante afwijkingen tussen begrote kosten en opbrengsten respectievelijk gerealiseerde kosten en opbrengsten dienen vervolgens te worden toegelicht.” 2. Bij het besluit van 10 juli 2013, zoals gehandhaafd bij het besluit van 7 maart 2014, heeft het stadsdeel de subsidie ambtshalve op nihil vastgesteld en het aan [appellante] betaalde voorschot teruggevorderd, omdat [appellante] niet tijdig de verantwoordingsstukken heeft ingeleverd aan de hand waarvan het stadsdeel kan vaststellen of de verleende subsidie op de juiste wijze is besteed. 3. Bij het besluit van 15 november 2016 heeft het stadsdeel het besluit van 7 maart 2014 herzien en de subsidie op € 19.352,90 vastgesteld en een bedrag van € 17.697,10 van [appellante] teruggevorderd. Het stadsdeel heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de hoogte van dit subsidiebedrag overeenkomt met de werkelijke uitgaven die [appellante] heeft gedaan en die gerelateerd zijn aan het evenement. Aangevallen uitspraak 4. De rechtbank heeft ten aanzien van het besluit van 15 november 2016 geoordeeld dat het stadsdeel op grond van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevoegd was om de subsidie lager vast te stellen dan het bedrag van de subsidieverlening. In dit artikelonderdeel is bepaald dat de subsidie lager kan worden vastgesteld indien de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden. De rechtbank heeft overwogen dat het evenement niet de gehele maanden juli en augustus heeft plaatsgevonden, maar van eind juli tot eind augustus en er niet zeven, maar slechts drie of vier dagen per week activiteiten waren, wat betekent dat in elk geval op minder dagen activiteiten hebben plaatsgevonden dan waartoe [appellante] verplicht was. Of het uiteindelijk door [appellante] georganiseerde evenement (ook) op andere onderdelen qua inhoud en/of uitstraling afweek van de verplichtingen op grond van de verleningsbeschikking, alsmede voor wiens rekening en risico deze afwijkingen dienen te komen, kan daarom in het midden blijven, aldus de rechtbank. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de keuze van het stadsdeel om de subsidie vast te stellen aan de hand van de werkelijk gemaakte kosten die op voorhand waren begroot en zijn te relateren aan het evenement zoals dat uiteindelijk is uitgevoerd, niet onevenredig is. Door de subsidie in dit geval vast te stellen op basis van de werkelijk gemaakte kosten, voor zover deze waren begroot, kan immers niet worden gezegd dat [appellante] tekort wordt gedaan. Het stadsdeel mocht de subsidie vaststellen op een bedrag van € 19.352,90 en het teveel betaalde voorschot van € 17.697,10 van [appellante] terugvorderen, aldus de rechtbank. Hoger beroep 5. Het hoger beroep is uitsluitend gericht tegen de uitspraak van de rechtbank voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 15 november 2016 ongegrond is verklaard. Link: http://deeplinking.kluwer.nl/?param=00D1DB07&cpid=WKNL-LTR-Nav2 Alle (auteurs-)rechten op dit document berusten bij Wolters Kluwer Nederland B.V. of haar licentiegevers en worden uitdrukkelijk voorbehouden. Dit document is gegenereerd op 06-06-2019. Kijk voor meer informatie over de diensten van Wolters Kluwer op www.w olterskluwer.nl Pagina 2/7
  • 3. 6. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het stadsdeel tot vaststelling van de subsidie op basis van daadwerkelijk gemaakte kosten mocht overgaan. Er moet van de subsidieverlening bij het besluit van 8 juni 2012 worden uitgegaan. In dat besluit wordt er niet over gesproken dat het evenement in de gehele maanden juli en augustus 2012 dient plaats te vinden. Het gaat meer over de wijze waarop het evenement dient te worden ingericht, aldus [appellante]. 6.1. Het besluit van 8 juni 2012 tot verlening van de subsidie met de daaraan verbonden voorwaarden en verplichtingen levert een voorwaardelijke aanspraak op subsidie op. Bij het vaststellingsbesluit wordt beoordeeld of daaraan is voldaan. Uit de – aangepaste – aanvraag van 8 mei 2012 blijkt dat de subsidie is aangevraagd voor een evenement waarbij een stadsstrand zal worden aangelegd naar voorbeeld van andere succesvolle stadsstranden in Amsterdam. Het strand zal bestaan uit zand en een zwembassin voor peuters. Het was de bedoeling dat het stadsstrand gedurende drie maanden dagelijks zou zijn geopend en dat er activiteiten zouden plaatsvinden. Bij het verleningsbesluit is de subsidie voor het evenement, zoals omschreven in de aanvraag, verleend, zij het dat de periode – naar het stadsdeel ter zitting heeft toegelicht vanwege het tijdsverloop – is bepaald op de maanden juli en augustus 2012. Het evenement heeft, naar niet in geschil is, echter niet de gehele maanden juli en augustus 2012 en evenmin dagelijks plaatsgevonden. Daarnaast is het zandstrand met het zwembassin niet in omvang conform de subsidieaanvraag en -verlening gerealiseerd. Dit betekent dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet geheel hebben plaatsgevonden. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat het stadsdeel op grond van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awb bevoegd was over te gaan tot een lagere vaststelling van de subsidie. 6.2. Het betoog faalt. 7. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het stadsdeel ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het evenredigheidsbeginsel. Zij doelt daarbij op artikel 3:4, tweede lid, van de Awb, waarin is bepaald dat de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. Voor zover wordt geoordeeld dat [appellante] niet volledig heeft voldaan aan de verleningsbeschikking dient een afweging te worden gemaakt tussen het belang van handhaving van de verplichting en de gevolgen van de verlaging voor de subsidieontvanger. [appellante] heeft zich uiterst ingespannen om een resultaat te bereiken waarmee tegemoet kon worden gekomen aan de verleningsbeschikking. Dat niet alle geplande activiteiten waarvoor de subsidie is verleend hebben kunnen plaatsvinden komt door de late verlening van de subsidie en de late afgifte van de benodigde vergunning voor het evenement en de communicatie hierover, waardoor ook niet tijdig kon worden geïnvesteerd en bedrijven niet tijdig voor sponsoring konden worden benaderd. Bovendien wist het stadsdeel op voorhand dat [appellante] geen ervaring had met het organiseren van evenementen en het indienen van subsidieaanvragen. Het besluit van 15 november 2016 brengt voor [appellante] ernstige financiële gevolgen met zich. [appellante] voert verder aan dat zij het gehele subsidiebedrag heeft besteed aan kosten die direct verbonden zijn aan de realisatie van het festival. Dit volgt uit de financiële verantwoording die is overgelegd. Daarbij heeft [appellante] extra kosten moeten maken die niet zijn te vatten in over te leggen facturen, zoals kosten voor water- en stroomvoorzieningen en personeelskosten. De rechtbank heeft ten onrechte de posten waarover partijen van mening verschillen afzonderlijk van elkaar behandeld. De rechtbank had naar de financiële verantwoording in haar geheel moeten kijken, aldus [appellante]. 7.1. De bevoegdheid tot het lager vaststellen van subsidies wegens het niet of niet geheel plaatsvinden van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend is een zogenoemde discretionaire bevoegdheid. Het stadsdeel heeft daarbij beleidsruimte, wat betekent dat het de keuze heeft om, als aan de toepassingsvereisten is voldaan, deze bevoegdheid al dan niet te gebruiken. Bij het lager vaststellen van een subsidie is het in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb bepaalde van toepassing. Dat betekent dat de gevolgen van het lager vaststellen niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen. 7.2. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het stadsdeel in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de subsidie vast te stellen aan de hand van de werkelijk gemaakte kosten die op voorhand in de aangepaste subsidieaanvraag waren begroot en die zijn te relateren aan het evenement zoals dat uiteindelijk heeft plaatsgevonden. Zoals het stadsdeel terecht heeft opgemerkt is daarmee zowel rekening gehouden met het algemene belang van juiste besteding van publieke middelen als met de (financiële) gevolgen van het besluit voor [appellante]. Dat [appellante] geen ervaring had met subsidieaanvragen en Link: http://deeplinking.kluwer.nl/?param=00D1DB07&cpid=WKNL-LTR-Nav2 Alle (auteurs-)rechten op dit document berusten bij Wolters Kluwer Nederland B.V. of haar licentiegevers en worden uitdrukkelijk voorbehouden. Dit document is gegenereerd op 06-06-2019. Kijk voor meer informatie over de diensten van Wolters Kluwer op www.w olterskluwer.nl Pagina 3/7
  • 4. het organiseren van evenementen en dat [appellante] zich tot het uiterste heeft ingespannen om problemen bij de uitvoering op te lossen en het evenement te doen plaatsvinden, zijn geen omstandigheden die maken dat de vaststelling van de subsidie aan de hand van de werkelijk gemaakte kosten, voor zover in de aangepaste subsidieaanvraag begroot, tot een onevenwichtige uitkomst leidt. De rechtbank heeft om de omvang van de werkelijk gemaakte kosten te bepalen terecht de kostenposten die in geschil waren afzonderlijk beoordeeld en daarbij de door [appellante] overgelegde facturen betrokken. Voor zover [appellante] betoogt dat de werkelijk gemaakte kosten op een te laag bedrag zijn vastgesteld, omdat voor de realisatie van het evenement het volledige bedrag, waarvoor subsidie is verleend, is aangewend, heeft [appellante] dit betoog niet nader met bewijsstukken onderbouwd. Reeds hierom kan dit betoog niet slagen. Evenmin slaagt het betoog dat ook de door [appellante] extra opgevoerde kosten, bestaande uit managementkosten, dienen te worden vergoed. De managementkosten die [appellante] opvoert zijn niet in de begroting bij de aangepaste subsidieaanvraag opgenomen, waardoor het stadsdeel voor deze kosten geen subsidie heeft verleend. Bovendien heeft [appellante] deze kosten niet met facturen of andere stukken gestaafd en heeft [appellante] in haar aangepaste aanvraag juist vermeld dat zij een eigen bijdrage zal leveren ter hoogte van € 10.000,00 en het evenement zal sponsoren waar het betreft de kosten van elektra en water. Slotsom is dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het stadsdeel de subsidie op een bedrag van € 19.352,90 mocht vaststellen en het teveel betaalde voorschot van € 17.697,10 van [appellante] mocht terugvorderen. 7.3. Het betoog faalt. Conclusie 8. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen, dat wil zeggen voor zover deze betrekking heeft op het besluit van 15 november 2016. 9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen. Noot Auteur: H. Pennarts & C.J. Dekker[1] Naschrift 1. De hier opgenomen uitspraak draait om de gewijzigde vaststelling van de aan M-Jo B.V. (M-Jo) verleende subsidie voor het evenement Bijlmer at the Beach 2012 (het evenement). 2. M-Jo vraagt op 5 april 2012 een subsidie aan bij het stadsdeel Zuidoost (het stadsdeel) voor de organisatie van het evenement. Het stadsdeel verleent vervolgens op 8 juni 2012 een subsidie van maximaal EUR 39.000 en keert een voorschot uit van EUR 37.050 (de verleningsbeschikking). In de verleningsbeschikking is opgenomen dat voor 1 april 2013 de aanvraag voor het vaststellen van de subsidie moet worden ingediend. Op 10 juli 2013 stelt het stadsdeel de subsidie vast op nihil en vordert het verleende voorschot terug, omdat M-Jo in gebreke is gebleven de vereiste informatie voor de verantwoording van de subsidie tijdig aan te leveren (het primaire besluit). M-Jo maakt bezwaar tegen het primaire besluit, waarop het stadsdeel het bezwaar ongegrond verklaard in de beslissing op bezwaar. Vervolgens wendt M-Jo zich tot de rechtbank. Tussen het instellen van het beroep en de behandeling daarvan heeft M-Jo kennelijk toch nog gegevens overgelegd aan het stadsdeel in het kader van de verantwoording van de subsidie, want op 15 november 2016 heeft het stadsdeel de eerdere beslissing op bezwaar herzien (de vaststellingsbeschikking). De subsidie wordt daarbij vastgesteld op EUR 19.352,90 en zodoende wordt EUR 17.697,10 teruggevorderd van M-Jo. Link: http://deeplinking.kluwer.nl/?param=00D1DB07&cpid=WKNL-LTR-Nav2 Alle (auteurs-)rechten op dit document berusten bij Wolters Kluwer Nederland B.V. of haar licentiegevers en worden uitdrukkelijk voorbehouden. Dit document is gegenereerd op 06-06-2019. Kijk voor meer informatie over de diensten van Wolters Kluwer op www.w olterskluwer.nl Pagina 4/7
  • 5. 3. De rechtbank overweegt dat deze nieuwe beslissing op bezwaar en de daaraan ten grondslag gelegde motivering in het kader van de verschillende kostenposten – muziek, marketing, bewaking/beveiliging en managementkosten (zie de uitspraak van de rechtbank: ECLI:NL:RBAMS:2017:4496) – niet onredelijk is en laat het besluit in stand. Daarop gaat M-Jo in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) en zij stelt met een beroep op artikel 3:4 Awb dat het stadsdeel niet in redelijkheid tot de vaststellingsbeschikking heeft kunnen komen. 4. Titel 4.2 Awb en de daarin opgenomen artikelen omtrent subsidies bepalen dat in een verleningsbeschikking wordt vastgelegd wat de activiteiten zijn waar subsidie voor wordt verleend. Dat betekent dat opgenomen dienen te worden het bedrag (of de wijze waarop dit wordt berekend) aan subsidie en welke verplichtingen daarbij in acht moeten worden genomen (artikel 4:30 Awb en artikel 4:31 Awb). De verleningsbeschikking geeft een voorwaardelijk recht op betaling. Na afloop van de gesubsidieerde activiteiten wordt gekeken of de activiteiten conform de verleningsbeschikking hebben plaatsgevonden en of de ontvanger zich daarbij aan de verplichtingen heeft gehouden. Dan wordt op aanvraag van de subsidieverkrijger een beschikking tot subsidievaststelling genomen (artikel 4:44 Awb). Pas met de beschikking tot subsidievaststelling ontstaat een definitieve aanspraak op betaling en wordt in principe door het bestuur betaald. 5. In het hier aan de orde zijnde geval heeft M-Jo een aanvraag gedaan, waarna de subsidie is verleend en – op grond van artikel 4:95 Awb – een voorschot is betaald. Of M-Jo vervolgens een aanvraag voor de vaststelling van de subsidie heeft gedaan volgt niet uit de uitspraak van de Afdeling (en evenmin uit die van de rechtbank). Duidelijk is wel dat het stadsdeel de subsidie op 10 juli 2013, nadien herzien met de vaststellingsbeschikking, lager heeft vastgesteld en het teveel betaalde heeft teruggevorderd ex artikel 4:57 Awb. Hiermee wordt duidelijk dat voor de vaststelling van de subsidie van belang is wat nu precies de inhoud is van de verleningsbeschikking. 6 Uit de verleningsbeschikking vloeit voort dat de maximale subsidie aan M-Jo EUR 39.000 bedraagt. Dat betekent dat in het primaire besluit, noch in de vaststellingsbeschikking meer subsidie kan worden toegekend. Wanneer M-Jo dat zou willen, dan dient zij een aanvullende c.q. nieuwe subsidieaanvraag in te dienen. De besluitvorming daarover staat geheel los van de bestreden vaststelling. Dat is overigens ook logisch, nu de vaststellingsbeschikking niet het moment is om de verleningsbeschikking te wijzigen. Die beschikking heeft immers formele rechtskracht verkregen. Dat is in de onderhavige casus ook aan de orde, nu M-Jo geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen de verleningsbeschikking. Verder, en dat is van belang, volgt uit de verleningsbeschikking dat bij de financiële verantwoording een overzicht van de begrotingsposten (zoals opgenomen in de verleningsbeschikking dus) met daarnaast de werkelijke kosten en opbrengsten moet worden gegeven. Tevens moet inzicht worden gegeven in begrote kosten en opbrengsten en gerealiseerde kosten en opbrengsten. Ten aanzien van de financiële verantwoording is in de verleningsbeschikking expliciet opgenomen dat die: “bestaat uit een overzicht met de begrotingsposten zoals genoemd in de aanvraag, met daarnaast opgenomen de werkelijke kosten en opbrengsten. Eventuele relevante afwijkingen tussen begrote kosten en opbrengsten respectievelijk gerealiseerde kosten en opbrengsten dienen vervolgens te worden toegelicht.” 7. In het primaire besluit en de vaststellingsbeschikking wordt daar (impliciet) naar verwezen, door te stellen dat: “de hoogte van dit subsidiebedrag overeenkomt met de werkelijke uitgaven die (appellante) heeft gedaan en die gerelateerd zijn aan het evenement.” 8. M-Jo is van mening dat ook de post managementkosten onder de reikwijdte van de verleningsbeschikking valt. De Afdeling overweegt echter dat daarvan geen sprake kan zijn, nu deze kosten niet in de subsidieaanvraag zijn opgenomen. Feitelijk is deze hogerberoepsgrond van M-Jo gericht tegen de verleningsbeschikking. Op grond van vaste jurisprudentie kunnen gronden gericht tegen de verleningsbeschikking, niet meer ingebracht worden tegen de vaststellingsbeschikking (CBb 18 april 2013, ECLI:NL:CBB:2013:CA1512; CBb 18 augustus 2015, ECLI:NL:CBB:2015:281; CBb 23 februari 2018, ECLI:NL:CBB:2018:54; ABRvS 21 februari 2007, ECLI:NL:RVS:2007:AZ9032; ABRvS 4 maart 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH4667, AB 2009/236, m.nt. T. Barkhuysen en W. den Ouden; ABkort 2009/118, JB 2009/82, Module Ruimtelijke ordening 2009/2015, NJB 2009/573; ABRvS 20 januari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BK9890, ABkort 2010/41; ABRvS 17 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR5195, AB 2011/316, m.nt. W. den Ouden, JB 2011/210 en ABRvS 21 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1661, AB 2017/278, m.nt. W. den Ouden). Dit in verband met het feit dat, zoals reeds eerder Link: http://deeplinking.kluwer.nl/?param=00D1DB07&cpid=WKNL-LTR-Nav2 Alle (auteurs-)rechten op dit document berusten bij Wolters Kluwer Nederland B.V. of haar licentiegevers en worden uitdrukkelijk voorbehouden. Dit document is gegenereerd op 06-06-2019. Kijk voor meer informatie over de diensten van Wolters Kluwer op www.w olterskluwer.nl Pagina 5/7
  • 6. genoemd, de verleningsbeschikking inmiddels formele rechtskracht heeft. Dit overigens nog los van het feit dat M-Jo deze kosten niet heeft onderbouwd met facturen of andere stukken. 9. Een ander punt dat M-Jo aanvoert, is dat de werkelijk gemaakte kosten op een te laag bedrag zijn vastgesteld, omdat het gehele bedrag uit de verleningsbeschikking is aangewend voor het evenement. Alvorens in te gaan op het oordeel van de Afdeling, merken wij op dat het in de praktijk vaker voorkomt dat uitgegaan wordt van de werkelijk gemaakte kosten (in de subsidieperiode), al dan niet onder de algemene noemer “kosten”. De meeste subsidieaanvragers en -ontvangers zijn daarover ontevreden en pleiten regelmatig voor een andere opvatting. In die opvatting worden ook verplichtingen die tijdens de subsidieperiode nog niet tot concrete betalingen hebben geleid, maar dat in de toekomst wel zullen doen onder het begrip “kosten” geschaard. Zij verwijzen daarbij in procedures omtrent de vaststelling van de subsidie vaak naar de in de jaarrekening opgenomen cijfers. Nagenoeg altijd wordt daar vanuit de subsidieverlener tegen ingebracht dat het begrip kosten bij het bepalen van de hoogte van de vaststelling wordt vastgesteld aan de hand van de werkelijke kosten, die de aanvrager heeft gemaakt bij het uitvoeren van de gesubsidieerde activiteiten (ABRvS 7 november 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB7302; ABRvS 10 maart 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL7011, m.nt. F. Onrust, AB 2011/92; ABRvS 25 augustus 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN4946, AB 2011/93, m.nt. F. Onrust; ABRvS 20 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO1136; ABRvS 17 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR5195, AB 2011/316, m.nt. W. den Ouden, JB 2011/210; ABRvS 28 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1935 en ABRvS 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4195). Ook in het onderhavige geval gaat de hogerberoepsgrond van M-Jo niet op, al is dat in dit geval terug te voeren op het feit dat zij (wederom) haar betoog niet onderbouwd heeft met bewijsstukken. 10. Vervolgens gaat de Afdeling in op artikel 4:46 lid 2 aanhef en onder a, Awb. Dat artikel geeft de bevoegdheid de subsidie lager vast te stellen dan opgenomen in de verleningsbeschikking, wanneer de gesubsidieerde activiteiten “ niet of niet geheel hebben plaatsgevonden”. Het stadsdeel heeft artikel 4:46 lid 2 aanhef en onder a, Awb ten grondslag gelegd aan de vaststellingsbeschikking. 11. Om te beoordelen of sprake is van gesubsidieerde activiteiten die “ niet of niet geheel hebben plaatsgevonden” wordt wederom gekeken naar het gestelde in de verleningsbeschikking. Daaruit volgt volgens de uitspraak van de rechtbank: “U realiseert in juli en augustus 2012 op het Hoekenrodeplein Bijlmer at the Beach, zoals omschreven in uw subsidieaanvraag. Het festival zal minimaal 3000 bezoekers trekken.” 12. Verder is in de verleningsbeschikking specifiek ingegaan op de te organiseren activiteiten. Partijen zijn het erover eens dat uiteindelijk op minder dagen activiteiten hebben plaatsgevonden dan op grond van de verleningsbeschikking vereist was. Zowel het stadsdeel als rechtbank hebben volgens de Afdeling dan ook geconcludeerd dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet geheel hebben plaatsgevonden. Dat leidt er vervolgens toe dat de Afdeling oordeelt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het stadsdeel bevoegd was met toepassing van artikel 4:46 lid 2 aanhef en onder a, Awb over te gaan tot een lagere vaststelling van de subsidie. Vervolgens overweegt de Afdeling dat het toepassen van artikel 4:46 lid 2 aanhef en onder a, Awb een discretionaire bevoegdheid betreft (W. den Ouden, N.J. Jacobs, N. Verheij, Subsidierecht, Deventer: Kluwer 2011, p. 74; CBb 23 juli 2014, ECLI:NL:CBB:2014:296; CRvB 30 januari 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC4315, AB 2008/222, m.nt. W. den Ouden, RSV 2008/116, USZ 2008/99; CRvB 22 september 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN9775, ABkort 2010/360, RSV 2011/12, RZA 2010/130; CRvB 1 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9635, AB 2013/255, m.nt. W. den Ouden en CRvB 26 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2653, USZ 2017/340, m.nt. G.J.W. Pulles). Daarbij overweegt de Afdeling expliciet dat bij toepassing van die bevoegdheid het evenredigheidsbeginsel als bedoeld in artikel 3:4 lid 2 Awb in acht genomen dient te worden (ABRvS 8 mei 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE2396, AB 2003/137, m.nt. N. Verheij, JB 2002/168 en ABRvS 18 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2768, AB 2017/422, m.nt. W. den Ouden, JG 2018/2, m.nt. T. Barkhuysen en A. Span). Dat betekent dat een afweging gemaakt moet worden, waarbij allereerst bezien dient te worden of überhaupt een lagere vaststelling dient plaats te vinden. Wanneer dat het geval is, moet vervolgens worden bepaald hoe laag de vaststelling uiteindelijk dient te zijn. De gevolgen van de lagere vaststelling mogen dan niet onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen. Bij deze belangenafweging speelt een rol dat het algemeen belang eist dat een juiste besteding van publieke middelen plaatsvindt. Dat belang dient te worden afgewogen met het belang van de ontvanger (lees: in hoeverre deze geraakt wordt door het bedrag van de vaststelling). Daarbij kunnen allerlei bijzondere omstandigheden een rol spelen, waarbij bijvoorbeeld gedacht kan worden aan de formele rechtskracht (ABRvS 18 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2768, AB 2017/422, m.nt. W. den Ouden, JG 2018/2, m.nt. T. Barkhuysen en A. Span). Link: http://deeplinking.kluwer.nl/?param=00D1DB07&cpid=WKNL-LTR-Nav2 Alle (auteurs-)rechten op dit document berusten bij Wolters Kluwer Nederland B.V. of haar licentiegevers en worden uitdrukkelijk voorbehouden. Dit document is gegenereerd op 06-06-2019. Kijk voor meer informatie over de diensten van Wolters Kluwer op www.w olterskluwer.nl Pagina 6/7
  • 7. 13. M-Jo brengt in het kader van de bijzondere omstandigheden naar voren dat zij niet alle geplande activiteiten waarvoor subsidie is verleend, heeft kunnen laten plaatsvinden in verband met de late verlening van de subsidie en de late afgifte van de benodigde vergunning voor het evenement. Ook de communicatie daarover was verlaat, waardoor M-Jo van mening is dat zij niet tijdig kon investeren en zij evenmin bedrijven tijdig voor sponsoring kon benaderen. Dit soort argumentatie wordt in de jurisprudentie niet snel aanvaard als bijzondere omstandigheid (ABRvS 17 maart 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL7740). Daarbij zij nog opgemerkt dat over het algemeen moet worden aangenomen dat het risico van een niet tijdige overeenkomst of vergunningverlening voor rekening van de aanvrager komt (Rb. Amsterdam 24 maart 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:1652). 14. M-Jo draagt ten slotte ook nog de “bijzondere” omstandigheid aan dat zij “ geen ervaring had met het organiseren van evenementen en het indienen van subsidieaanvragen” en het stadsdeel daarvan op de hoogte was. Ook dit argument kan op grond van de geldende jurisprudentie geen doel treffen. M-Jo had immers contact op kunnen nemen met een ambtenaar of anderszins navraag kunnen doen. Ook had M-Jo formulieren en nadere stukken voor indiening kunnen voorzien van opmerkingen bij wat haar niet duidelijk was (zie ABRvS 27 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7478). Door dat niet te doen, zijn de gevolgen van de vaststellingsbeschikking voor rekening van M-Jo. Dat maakt dat het stadsdeel de aan M-Jo verleende subsidie in redelijkheid lager heeft kunnen vaststellen. Zodoende kan de verleningsbeschikking in stand blijven. 15. Het voorgaande leidt ertoe dat het in de subsidiepraktijk belangrijk was, is en blijft om – met name als subsidieaanvrager – goed te bepalen wat nu precies de wensen zijn voor het te realiseren project. Anders gezegd, al bij de verleningsbeschikking zal opgekomen moeten worden tegen eventuele ongewenste c.q. onjuiste bepalingen omtrent de verantwoording van de gemaakte kosten. Als dat niet gedaan wordt, verkrijgt de verleningsbeschikking immers formele rechtskracht en kan die – in principe – niet meer worden aangevochten. Daarbij biedt het evenredigheidsbeginsel uit artikel 3:4 lid 2 Awb – dat steeds vaker expliciet genoemd wordt door de Afdeling (zie bijvoorbeeld recentelijk ABRvS 27 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:928) – niet per definitie een ontsnappingsroute. Weliswaar dient de subsidieverlener op basis van het evenredigheidsbeginsel rekening te houden met de belangen van de subsidieverkrijger bij het lager vaststellen van de subsidie, maar dat neemt niet weg dat de subsidieverkrijger in die zin – met bewijsstukken – aannemelijk zal moeten maken dat die lagere vaststelling in zijn (specifieke) geval onredelijk is. M-Jo is dat in de onderhavige zaak niet gelukt en wij zien andere subsidieverkrijgers dat ook niet zo gauw aantonen. Voetnoten [1] Hugo Pennarts is adviseur en Casper Dekker is advocaat, beiden bij Ten Holter Noordam advocaten. Link: http://deeplinking.kluwer.nl/?param=00D1DB07&cpid=WKNL-LTR-Nav2 Alle (auteurs-)rechten op dit document berusten bij Wolters Kluwer Nederland B.V. of haar licentiegevers en worden uitdrukkelijk voorbehouden. Dit document is gegenereerd op 06-06-2019. Kijk voor meer informatie over de diensten van Wolters Kluwer op www.w olterskluwer.nl Pagina 7/7